|
|
hoogte en ligging verdronken land van Saeftinge |
De circa 2770 ha aan slikken en schorren in het Verdronken Land van Saeftinge vormen samen een prachtig en boeiend gebied. Het laat zien hoe grote delen van de Zeeuwse delta er ongeveer 1000 jaar geleden hebben uitgezien. Saeftinge is inmiddels verland tot een hoog schor, dat alleen bij een hoog springtij volledig wordt overspoeld. Rond het begin van onze jaartelling maakte Saeftinge deel uit van een uitgestrekt veengebied, of vloedbos. Door het opdringen van de zee, de zogenaamde Duinkerketransgressie, werd klei op dit veenpakket afgezet.
In de 11e eeuw werden door monniken de eerste dijken aangelegd. De schorren werden in cultuur gebracht en ook werd turf gewonnen. Door verdere inpolderingen, regelmatig onderbroken door overstromingen, bereikte de Heerlijkheid Saeftinge in de 16e eeuw haar grootste omvang. Tijdens de Allerheiligenvloed van 1570 liep het grootste deel echter onder water en de resterende dijken werden in 1584 doorgestoken voor de verdediging van Antwerpen. Het Land van Saeftinge verdronk en in de voormalige polder werden snel diepe geulen gevormd. Vanaf het begin van de 17e eeuw werden delen van het gebied teruggewonnen. De vorming van nieuwe schorren werd steeds op de voet gevolgd door het aanleggen van dijken. De laatste dijk werd in 1907 aangelegd.
Om het gebied sneller rijp te maken voor de volgende inpoldering werd in de jaren dertig Engels slijkgras aangeplant, is de Rijksdam aangelegd en zijn greppels gegraven om de afwatering te bevorderen. Het plan tot inpolderen is niet uitgevoerd en met de aanleg van de gasdam in 1966 en het op deltahoogte brengen van de zeedijk in de jaren tachtig, kreeg Saeftinge haar huidige begrenzing.
Het gebied dat is begrensd door de gasdam en de zeedijk (de Selenapolder, nabij de Belgisch Nederlandse grens), is op beperkte schaal in cultuur gebracht. Na het doorbreken van de zomerdijk tijdens de storm in februari 1990 is het geleidelijk weer een schor geworden, het gebied heet nu het Sieperdaschor.
Ondanks het overwegend ‘platte’ uiterlijk van het schor is er een duidelijk verloop in hoogteligging. Het zuidelijke deel langs de zeedijk en het oostelijk deel, de Bogaard en de Noord, zijn de oudste en hoogste delen van Saeftinge. Het noordwestelijke deel van Saeftinge is jonger en lager, met uitzondering van de kernen van de Marlemontse plaat en het Konijnenschor. Zeer karakteristiek voor een schor zijn de hoogteverschillen tussen de hogere oeverwallen langs de geulen en de lagere kommen daartussen. Op plaatsen waar de schorrand erodeert zijn zogenaamde erosiekliffen zichtbaar, die in de grote kreken enkele meters hoog kunnen zijn.
De onbegroeide geulen en kreken doorsnijden het schor in een typisch vertakte structuur. De drie grote geulen, het Speelmansgat, de IJskelder en het Hondegat, draineren circa 90% van het schor. De oostzijde wordt via enkele kleinere geulen gevuld en geleegd. |
|